Ontstaan CVBB

In 1991 werd de Europese Nitraatrichtlijn van kracht voor alle lidstaten van de Europese Unie. Met deze richtlijn wou men de aanrijking van nitraten afkomstig uit agrarische bronnen in het oppervlakte- en grondwater reduceren. Door de jaren heen was er namelijk een sterke nitraataanrijking vastgesteld in verschillende Europese waterlichamen als gevolg van overmatige bemesting. Hoewel stikstof een belangrijke voedingsstof is voor planten en gewassen zijn hoge concentraties ervan schadelijk voor mens en milieu. In de richtlijn werd een basiskwaliteitsnorm voor het grond- en oppervlaktewater vastgelegd op maximum 50 mg nitraat per liter. Daarnaast werd o.a. ook vastgelegd dat elke lidstaat via een monitoringsnetwerk de waterkwaliteit van oppervlakte- en grondwater moet opvolgen, en dat ze actieprogramma’s moet opstellen om de nitraatverontreiniging te reduceren. Van de Europese lidstaten hebben België, Malta en Denemarken de dichtste monitoringsnetwerken.

In Vlaanderen is de Nitraatrichtlijn vertaald in het Mestdecreet en de Mestactieplannen. Deze bepalen de verplichtingen waaraan land- en tuinbouwers moeten voldoen bij de productie en verwerking van mest, het bemesten van land- en tuinbouwgrond en het transport en opslag van meststoffen. Zo werden via het eerste Mestdecreet en de eerste Mestactieplannen algemene bemestingsnormen opgelegd. De waterkwaliteit in landbouwgebied en het effect van de mestwetgeving hierop wordt opgevolgd via het MAP-meetnet. Deze opvolging gebeurt door de Vlaamse Milieumaatschappij sinds 1999. Omdat de eerste maatregelen niet de verhoopte kwaliteitsverbetering in oppervlakte- en grondwater opleverden, werden in de daaropvolgende Mestactieplannen steeds strengere regels opgelegd.

De strengere normen en regels én de inspanningen van de land- en tuinbouwers resulteerden in dalende nitraatconcentraties in het oppervlaktewater en, met vertraging, ook in het grondwater. Maar, deze verbetering was toch nog ontoereikend. Daarom werden binnen MAP IV doelstellingen rond de resultaten in het MAP-meetnet geformuleerd die in een termijn van 2 actieprogramma’s moeten behaald worden. Deze doelstellingen zijn behoorlijk ambitieus en vragen een zeer sterke vooruitgang van de waterkwaliteit.

Ter ondersteuning van de Vlaamse land- en tuinbouwers bij het behalen van deze doelstellingen, werden bij het in werking treden van MAP IV enkele flankerende maatregelen getroffen. Naast het oprichten van het onderzoeksplatform duurzame bemesting en een specifieke oproep voor ADLO-demonstratieprojecten, werd ook het Coördinatiecentrum Voorlichting en Begeleiding duurzame Bemesting (CVBB) opgericht. Het CVBB kreeg als hoofddoel ‘het sensibiliseren en begeleiden van Vlaamse land- en tuinbouwers met betrekking tot duurzame bemesting’. Dit via het aanbieden van individuele bedrijfsbegeleiding en het oprichten van waterkwaliteitsgroepen. De uitvoering van deze taken rust bij de praktijkcentra en medewerkende instanties die een centrale rol kregen binnen CVBB. Hiermee werd gekozen voor een ondersteunende aanpak vanuit de kennis die is opgebouwd uit praktijkgericht onderzoek.