Nitraatgehaltes moeten omlaag

De daling van het aantal MAP-meetpunten met overschrijdingen zette zich onder MAP 5 tot nu toe minder spectaculair door dan onder MAP 4. Toch ziet Dirk Coomans, algemeen coördinator van het CVBB, positieve evoluties. We spraken met hem over de belangrijkste bedreigingen en uitdagingen. – Patrick Dieleman

De opdracht van het CVBB (Coördinatiecentrum Voorlichting en Begeleiding duurzame Bemesting) is gekoppeld aan de looptijd van het Mestactieplan, dus 4 jaar. Omdat het eerste jaar van MAP 4 gebruikt werd om de werking op poten te zetten, komen we ondertussen aan 6 jaar effectieve werking. “Of er na 2018 een vervolg komt, hangt af van wat er op politiek vlak zal beslist worden, maar veel mensen zijn er zich van bewust dat er toch een zekere werking moet blijven”, zegt Dirk Coomans. “We moeten er ook rekening mee houden dat de Vlaamse overheid voorlichting en begeleiding via haar eigen diensten fel aan het reduceren is. Dat is zo bij het departement Landbouw en Visserij, maar meer nog bij de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), die vanaf 1 januari 2018 stopt met de dienst bedrijfsadvies. Als derden voor de voorlichting moeten instaan, dan zou CVBB daar perfect in passen. Onze medewerkers zijn ingebed in de praktijkcentra. Dat maakt dat we kunnen beschikken over de volledige knowhow van die centra. Bovendien staan de praktijkcentra dicht bij boeren en tuinders. Ze genieten hun vertrouwen, wat maakt dat ook wij goed geaccepteerd worden. We hebben ondertussen ook veelervaring opgebouwd. Het zou dom zijn om dat allemaal zomaar van de kaart te vegen en iets anders in het leven te roepen. En het werk is niet af! Sinds MAP 5 (2015) is er nauwelijks vooruitgang geboekt. We blijven hangen rond de 20% rode meetpunten.”

Toch positieve tekens

Op het eerste gezicht zou je kunnen besluiten dat het beleid niet goed heeft gescoord met MAP 5. “Men zou kunnen zeggen dat al het geld dat in handhaving en controle en in voorlichting en begeleiding gestopt is niets heeft opgeleverd. Maar we zien dat er steeds meer goede praktijken – zoals groenbedekkers – worden toegepast in het veld. Verder zien we het aantal overschrijdingen dalen bij meetpunten met overschrijdingen, evenals de hoogte van de pieken. Als die trend zich verder doorzet, zal dat uiteindelijk ook tot uiting komen in het aantal rode meetpunten.”

Vervolgens staat Coomans stil bij het fenomeen van de meetpunten die flirten met de grens van 50 mg/liter. “In het meetjaar 2015-2016 zagen we overal in Vlaanderen, maar toch vooral in West- Vlaanderen, een groep van MAP-meetpunten die de norm net niet overschreden en die dus groen werden. Dit jaar deden diezelfde meetpunten het iets slechter, waardoor ze opnieuw rood zijn. Dat kan gewoon al het gevolg zijn van het teeltplan in het afstroomgebied, bijvoorbeeld door wat meer groenten en aardappelen.

We kunnen de effecten van bemesting in samenspel met de weersomstandigheden niet altijd vatten. We zien die punten kabbelen rond de 50 mg, ze vertonen een dalende trend en we vermoeden dat ze er uiteindelijk definitief onder geraken. Die absolute grens tussen groen en rood is eigen aan het meetsysteem. Wanneer de gewassen nog klein zijn in het voorjaar is na een zware bui wat nitraatverlies niet te vermijden. We hebben met de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) de afspraak
gemaakt om op een aantal plaatsen continu te meten en te zien hoeveel de waarden schommelen. Volgens mij zijn die variaties vrij hoog. Stellen dat de gehaltes op elk moment in elke druppel water goed moeten zijn is theoretisch juist, maar de natuur zit zo niet in elkaar. Bij zware neerslag is het anderzijds vaak ook moeilijk is om dit te bewijzen. Wat is zwaar? En vaak zijn die buien zeer plaatselijk en is er niet altijd een meetpost van het KMI in de buurt.”

Intensieve begeleiding

Coomans ziet positieve evoluties in de gebieden waar CVBB al 2 jaar land- en tuinbouwers intensief begeleidt inzake bemestingspraktijken en teelttechnieken. “Bij sommige boeren zien we geen verandering, maar anderen hebben ingezien dat ze fijner kunnen bemesten. En dat vertaalt zich ook in betere nitraatresidu’s. We zien dus signalen dat onze intensieve aanpak werkt. De link tussen goede nitraatresidu’s en een goede waterkwaliteit is nog niet altijd eenduidig. We trachten uit te zoeken wat daar speelt. Anderzijds moeten we ook beseffen dat het veranderen van gewoontes, van bemestingstradities, tijd vraagt. Veel boeren nemen het eerste jaar van begeleiding een afwachtende houding aan. Bij heel wat van hen krijgen we pas vanaf het tweede jaar meer vertrouwen. We zijn dus soms al twee jaar verder vooraleer de veranderingsmolen op gang komt. De tegenvallende meetresultaten zijn niet altijd motiverend, niet voor de landbouwsector maar ook niet voor het CVBB, maar de werking gaat verder. We spelen zo kort mogelijk op de bal. We merken dat we met onze intensieve aanpak ook terechtkomen bij boeren die niet of nauwelijks naar vergaderingen komen. Of we altijd in hun hoofd geraken, is nog iets anders.

“Vaak is de invloed van de boer op het nitraatresidu groter dan die van de teelt”

De intensieve aanpak is heel arbeids- en kapitaalsintensief. We trachten dit te rationaliseren, bijvoorbeeld door in een groot afstroomgebied niet alle percelen te bemonsteren. We concentreren ons op de deelgebieden waar de hoogste metingen voorkomen en ook op de probleembedrijven. Vaak zie je dat het nitraatresidu gekoppeld is aan de boer, dat zijn invloed groter is dan die van de teelt. Ook volgen we teelten zoals groenten en aardappelen intensiever op dan bijvoorbeeld bieten en granen. In gebieden zonder intensieve aanpak zorgen we ook voor bedrijfsbegeleiding op vraag van de boeren en tuinders. Daarbij hebben we ons sinds vorig jaar – om het werkvolume en ons budget onder controle te houden – gefocust op bedrijven die de drie voorbije jaren een overschrijding van het nitraatresidu hadden. Uitzondering zijn de nieuwkomers, die sowieso een eerste jaar kunnen inschrijven voor de CVBB-begeleiding. Andere bedrijven mogen ook meedoen maar ze moeten alle analyses zelf betalen. Daardoor is het aantal bedrijven dat we begeleiden bijna gehalveerd. De tijd die vrijkomt kunnen we investeren in de intensieve aanpak.“

Dirk Coomans: “Doordat we de niet gevalideerde meetresultaten al na enkele dagen doorkrijgen, kunnen we veel sneller en beter zoeken naar de reden van de overschrijding.”

Heikele punten

CVBB ondervindt dat nog te veel land- en tuinbouwers zich onvoldoende bewust zijn van juiste bemesting en bemestingspraktijken. “Er wordt nog te vaak op zekerheid gespeeld, omdat ze ‘al 20 jaar gewoon zijn om zo te bemesten en daar altijd goede resultaten mee haalden.’ Waarom zouden ze dat veranderen? In teelten zoals bloemkool en prei is een boer vaak blij wanneer het bijbemestingsadvies nul is. We zouden bij dergelijke analyses ook een negatief advies moeten kunnen toevoegen. De ene heeft misschien juist genoeg bemest, maar zijn collega heeft mogelijk 100 eenheden te veel gegeven. Wie start met een kleinere basisbemesting moet wel alert zijn nadien. Teelten met een korte groeiduur mogen onderweg geen honger krijgen, want dat wreekt zich in de kwaliteit. Om ontledingen uit te sparen nemen we soms maar een eerste staal ten behoeve van de eerste bijbemesting, maar dan moet je daar als boer snel kunnen op inspelen.

Een ander heikel punt is dat ‘mest plaatsen’ nog te veel aan de orde blijft op een aantal bedrijven. Ik kan begrijpen dat de put leeg moet in augustus/september of dat boeren die in het voorjaar het peil zien stijgen in de mestkelders snel op het land willen. Meer mestopslag is de enige oplossing, maar dat is niet altijd evident. We kunnen niet verwachten dat alles 100% volgens het boekje verloopt – dat is in de rest van de maatschappij ook niet zo – maar er zit toch nog rek op, zeker in moeilijke teelten zoals aardappelen en groenten.

Zowat 20 tot 25% van de rode meetpunten zijn het gevolg van nitraatrijke bronnen. Als je een reistijd zou hebben van 10 jaar, dan weet je dat je pas over 10 jaar effecten zal zien. Jarenlang werd geopperd dat dit nitraat ook van de landbouw afkomstig is. Daar discussiëren we niet over, maar invloed van nitraatrijke bronnen betekent dat we niet in het afstroomgebied moeten kijken, maar verderop in het intrekgebied van de bron. Het goede nieuws is dat het onderzoek hieromtrent gestart is op 1 april.

Wat de bemestingspraktijken betreft, denk ik dat nog niet iedereen goed beseft wat mestkorrels die in het water terechtkomen kunnen veroorzaken. Er moeten niet veel korrels ammoniumnitraat in een beek met weinig water vallen om de 50 mg te bereiken. Het beter afstellen van meststoffenstrooiers en respecteren van de bufferstroken zijn daarvoor de ordewoorden. Verder hebben we nog enkele meetpunten met lozingen vanuit de glastuinbouw.”

Een heikel punt is dat ‘mest plaatsen’ nog te veel aan de orde blijft op een aantal bedrijven.

Aandachtspunt

Dirk Coomans vindt dat we in Vlaanderen een beetje het slachtoffer zijn van onze grote werkijver. “We hebben veruit het dichtste meetnet voor oppervlaktewater. Ten gevolge van onze ruimtelijke ordening wordt er vaak in kleine beken gemeten. Daar wordt kort na zware regenbuien nogal eens een overschrijding genoteerd. Wat focusgebied betreft, wordt dat eventueel wel gedelibereerd, maar het MAP-meetpunt blijft wel rood. Ik heb het hier niet over meetpunten die stelselmatig alle jaren een dergelijke overschrijding laten zien. De vraag is of we de meetpunten die jaren groen zijn en dan eens een overschrijding vertonen niet op een andere manier moeten gaan beoordelen? Europa aanvaardt de 95 percentiel-regeling: je kan een meting op twintig laten vallen. In Vlaanderen passen we dat niet toe, omdat er maar twaalf metingen per jaar zijn en omdat er op jaarbasis wordt geëvalueerd. Dat zou wel kunnen door dit over twee jaar te bekijken. Ik denk en hoop dat de Vlaamse overheid (VMM en VLM) bereid is om hierover na te denken. We hebben geregeld overleg en werken goed samen met hen.”

Dirk komt nog eens terug op de beoogde 5% rode meetpunten. Hij hoopt in stilte dat het de volgende winter kan lukken om in de buurt van 16% te geraken, de doelstelling van MAP 4. “Het is duidelijk dat we tijd moeten kunnen kopen. We hebben geleerd dat het tijd vergt om zaken te veranderen. Een van onze basisdocumenten is een indeling van de rode meetpunten naargelang de oorzaak van overschrijding. We gebruiken dat om onze strategie te bepalen voor een specifiek gebied. We hebben die punten nu verder opgesplitst in groepjes en daarbij geschat hoelang het zal duren vooraleer het probleem er volledig is opgelost: kort (nog voor eind 2018), middellang (de periode van MAP 6) en lang. Ongeveer 75% van de rode meetpunten heeft minimaal nog een bijkomende periode
van vier jaar nodig. We zien een mooie evolutie, bijvoorbeeld in gebieden met intensieve begeleiding. Uiteraard moeten er resultaten komen, maar we botsen hier en daar op onze grenzen, onder meer door mensen die de schijn geven van mee te werken maar dat niet doen, de zogenaamde jaknikkers. Die geven de indruk mee te werken, omdat het hen toch niets kost. Belangrijk is dat boeren en tuinders beseffen dat met uitzondering van een teeltmislukking of specifieke calamiteit nitraatresidu’s van 200 of meer niet kunnen. De oorzaak kan liggen in een foute inschatting van de hoeveelheid mest of de mestinhoud, of het effect van oogstresten. Openspreiden of injecteren maakt een groot verschil, met moderne apparatuur (injectie) kan men juister bemesten dan met de oude beerkar. Er is ook meer gevaar voor overlappingen bij bovengronds openspreiden. Over de mestanalyse bestaat ook veel discussie: zijn die metingen precies genoeg? Toch onthoud ik uit mijn verleden als voorlichter dat boeren die werken op basis van mestanalyses doorgaans goede resultaten behaalden, zowel qua teeltopbrengst als qua nitraatresidu.”

Verder reikend onderzoek

Op de vraag of hij nog wijzigingen in aanpak ziet in de toekomst, antwoordt Dirk Coomans dat er nog wel enkele denkpistes zijn. “In MAP 5 komt fosfor meer in beeld, en vermoedelijk nog meer in MAP 6. Fosfor gaan meten in het water is niet onmiddellijk de opdracht maar we volgen toch ook een tweetal ‘fosforcases’ per provincie op waar we frequent fosformetingen doen stroomopwaarts van het meetpunt naar analogie met de nitraatmetingen. We bekijken hoe de fosfor zich
verhoudt ten opzichte van het nitraatgehalte en eerste resultaten geven aan die toch anders evolueren. We volgen dit vooral op om informatie te verzamelen en zicht te krijgen op de specifieke situatie van fosfor.
Nieuw is dat we sinds vorig jaar in samenwerking met VMM kunnen werken met signaalwaarden. Voorheen duurde het bijna een maand voordat de resultaten van de staalnames officieel konden worden geraadpleegd. Nu speelt VMM ons al na enkele dagen de niet gevalideerde waarden door. Dat laat ons toe om bij onverwachte meetresultaten de situatie ter plaatse te onderzoeken. We kunnen dan veel meer detecteren dan een maand nadien.”