Let op met het leegrijden van de mestkelders

Vaak profiteren veehouders van de graanstoppels om ruimte te maken in de mestkelders voor de komende winter. Dankzij hun mestopslag hoeven Louis en Gert Vandijck uit Peer dit niet te doen, zodat ze de mest optimaal kunnen aanwenden tijdens het voorjaar. -MAPman

Louis heeft samen met zijn zoon Gert een loonwerkbedrijf dat vooral gespecialiseerd is in voedergewassen. Dat machinepark benutten ze ook voor hun eigen landbouwbedrijf, waarop ze bijna uitsluitend maïs en grasland telen. De productie wordt bijna volledig verwerkt in paardenvoeders. Het gras wordt als voordroog verwerkt in grote en kleine pakken. Louis’ dochter Kathleen leidt een bedrijf dat ook de maïs verpakt, deels gemengd met bietenpulp of luzerne. De vader van Louis startte het bedrijf samen met zijn 3 zonen in 1972. In 1979 hebben de 3 broers het overgenomen. In 1998 werd de NV GEVA opgericht (gebroeders Vandijck). Drie jaar geleden namen Louis en Gert de aandelen over van de 2 andere broers.

Louis Vandijck pleit voor het gericht inzetten van mest op het juiste moment en dankzij een mestanalyse ook met de juiste hoeveelheid

Mestopslag

De mestopslag van drieduizend m³ is wat rest van de mestverwerkingsactiviteit die tot 2010 gebeurde op het bedrijf in samenwerking met een grote afvalverwerker. Na de stopzetting van die activiteit hebben ze de installatie overgenomen om ze te gebruiken voor mestopslag. Die mest is afkomstig van vroegere klanten van de mestverwerking of van klanten van het loonwerkbedrijf. “We krijgen mest afkomstig van zeugen, mestvarkens, kalveren en runderen. Dat wordt gemixt en nadien nemen we een staal. We komen aan een gemiddelde samenstelling die vergelijkbaar is met koeienmest: 4,5 kg N en 1,3 kg P2O5/ton. De ene mestsoort heeft wat meer kali dan de andere, maar het mengsel heeft een goede samenstelling voor onze gronden. We passen dat vooral toe op ons grasland.” Louis haalt er de resultaten van een mestanalyse bij en rekent snel uit dat de opslag volstaat om zowat tachtig ha te bemesten.

Gericht bemesten

“We maaien onze eerste snede pas begin juni. Dat komt omdat het gras hard moet zijn om als hooi te gebruiken voor paarden. We voeren nadien mest, maar daarmee is het gedaan voor de rest van het seizoen. We maaien dan nog eens in augustus, waarna het perceel wordt geploegd en opnieuw ingezaaid met Italiaans raaigras.” Die manier van werken levert weinig problemen op met het nitraatresidu. Vroeger was het bedrijf een focusbedrijf, vorig jaar konden ze dankzij goede nitraatresiduresultaten van dat statuut af geraken. Louis wijt dit aan het niet meer bemesten in augustus, maar ook aan de teelten die veel nutriënten uit de grond halen. “Ook bepalend is dat we de mest steeds laten ontleden, en daardoor precies weten hoeveel stikstof en fosfaat we toedienen. De resultaten van de mestanalyses op ons bedrijf wijken sterk af van de richtwaarden die de VLM vooropstelt. Bij de mest die we direct aanvoeren in het voorjaar bekijken we de percelen waar die het best kan benut worden. Op gronden met een hoog fosfaatgehalte brengen we bijvoorbeeld koemest, terwijl we de varkensmengmest uitrijden op percelen die lager zitten in fosfor.”

Louis, Gert en Kathleen Vandijck zijn gespecialiseerd in de productie van paardenvoeders. Dat beïnvloedt sterk hun teelt- en bemestingsstrategie.

Nitraatresidu en waterkwaliteit

Kris Dhaese van CVBB is aanwezig bij het gesprek. Hij vertelt dat het bedrijf van Louis en Gert een focusbedrijf was wegens de rode MAP-meetpunten op de Dommel en de Bollissenbeek. “Ik denk dat we de actuele aanrijking van het oppervlaktewater goed in de hand hebben, maar we ondervinden wel nog effecten van historische nitraataanrijking (grondwater).” We hebben hier te maken met een specifieke situatie: zandgronden en (tijdelijke) stuwwatertafels t.g.v. harde lagen. Louis vertelt dat op vele plaatsen een ‘kliplaag’ (harde laag) zit op 1 tot 2 meter diep. Hierdoor kan het water bij neerslagoverschot niet doorsijpelen naar diepere lagen en bij droogte houdt diezelfde storende laag het opstijgend grondvocht tegen. “In de winter staat er op die plekken water en in de zomer kan je haarscherp vaststellen dat de maïs daar en het eerst verdroogt.” “Die specifieke situatie beïnvloedt mogelijks ook de waterkwaliteit in de Dommel. Door de invloed van de harde laag en het grondwater is een prognose wanneer het nitraatprobleem van de MAP-meetpunten onder controle zal zijn, moeilijk te maken”, besluit Kris. “Daarom denken we bijkomend aan remediërende maatregelen zoals een bekken-bufferzone waar via technieken het nitraat kan gedenitrificeerd worden maar dat vergt eerst onderzoek naar haalbaarheid.”

Op een bepaald moment lagen in de regio grasstroken over bijna de volledige lengte van de Dommel

Niet zomaar mestkelders leegrijden

Wat nog kan verbeteren, is volgens Louis het laat bemesten omdat de kelder vol zit. “Let op, ik heb niets tegen melkveehouders die nog mest uitrijden in augustus om nadien nog een of twee keer te maaien. Dan heb je geen problemen, die halen dat terug van het veld af. Maar dat is anders op percelen waar niets op wordt gedaan. Ook waar men mest uitrijdt op de graanstoppel, om nadien te ploegen en gras te zaaien is er nadien groei. Na een goed voorjaar verwacht ik geen problemen, dan zijn de mestkelders zo goed als leeg in juni. Als dat niet lukt zijn sommigen genoodzaakt om diezelfde hoeveelheid pas op te brengen in juli en augustus. Dan ben je theoretisch niet aan het overbemesten, maar die nutriënten worden dan niet meer volledig opgenomen. Daardoor loop je risico op uitspoeling en krijg je problemen met de nitraatresidustalen in oktober-november.”

 

Wie in de zomer mest opbrengt zonder nadien iets te zaaien vraagt om problemen met het nitraatresidu

De Waterkwaliteitsgroepen van CVBB

Kris Dhaese vertelt dat Louis enthousiast meewerkt in de plaatselijke waterkwaliteitsgroep. “De algemene tendens is dat mensen die meewerken in de waterkwaliteitsgroep beter letten op wat ze precies doen”. Louis en zijn broers waren een van de eersten in de streek die beheerovereenkomsten voor beekranden afsloten. Sindsdien houden ze een grasstrook van 10 meter aan. “Als je niet mag bemesten heb je ook geen opbrengst. Toen de VLM startte met beheersovereenkomsten voor beekranden, hebben we daar op ingespeeld met enkele percelen. Dat is geleidelijk gegroeid. Op een bepaald moment hadden veel landbouwers langs de Dommel en de Bollissenbeek grasstroken. Velen hebben dat nadien stopgezet, omdat die stroken na 5 jaar permanent grasland dreigden te worden.” Een onterechte vrees, aangezien grasland aangelegd in uitvoering van een beheerovereenkomst na afloop is vrijgesteld van een eventueel scheurverbod of een eventuele herinzaaiverplichting in het kader van de vergroeningsverplichtingen.

 Overzichtskaartje beheerovereenkomst perceelsranden langs de Dommel en Bollisenbeek