Intensieve begeleiding door het CVBB

In het afstroomgebied van moeilijke meetpunten kiest het CVBB voor een intensieve aanpak. We peilen bij Brecht Catteeuw van Inagro en Katleen Geerinckx van de Hooibeekhoeve naar hun ervaringen met dit systeem. – Patrick Dieleman

Brecht coördineert de werking van CVBB in West-Vlaanderen. Hij stuurt een team aan van elf medewerkers, waarvan enkele slechts deeltijds werken voor het CVBB. Katleen Geerinckx combineert haar werk voor het CVBB met enkele andere projecten. Beiden begeleiden bedrijven voor de intensieve aanpak. “Dat was een van de dingen die ik wilde blijven doen toen ik coördinator werd”, zegt Brecht. “Ik volg een heel klein beekje, maar dat maakt dat ik betrokken blijf bij de praktijk. Dat helpt me ook om te weten wat mogelijk is, wanneer collega’s met suggesties komen.”.

Twee vormen

Wat kan iemand verwachten, wanneer het CVBB zal starten met begeleiding? Brecht wil eerst duidelijk stellen dat er twee types van begeleiding zijn. “Intensieve Bedrijfsbegeleiding (IBB) gebeurt op vraag van de landbouwer voor heel zijn bedrijf, terwijl Intensieve Aanpak (IA) gebeurt op vraag van het CVBB, en alleen voor de percelen binnen een bepaald afstroomgebied van een MAP-meetpunt. Daar proberen we door die percelen heel intensief op te volgen een meetpunt uit het rood te halen. Ieder jaar delen we de meetpunten in volgens de oorzaak van overschrijding, zoals een lozing, huishoudens, een nitraatrijke bron. Zeker in West-Vlaanderen is uitspoeling vanuit percelen vaak de hoofdoorzaak. Zowat 60 van de 80 rode MAP-meetpunten hebben de bemestingspraktijk of uitspoeling tijdens de winter als oorzaak.

Katleen vult aan dat bij de meetpunten die het Landbouwcentrum Voedergewassen (LCV) begeleidt ook de landbouwpraktijk de oorzaak is van de nog resterende rode punten. Vooral de snelle afvoer van nutriënten via drainages is een probleem. De teelten in de Kempen zijn vooral gras en mais, maar er komen steeds meer aardappelen, deels als derde teelt. Met grasland hebben we doorgaans weinig problemen, omdat de nitraatresidu’s daar grotendeels goed zijn.

Stalen nemen

Brecht legt uit dat ze het afstroomgebied van een rood meetpunt systematisch in kaart brengen door stroomopwaarts waterstalen te nemen. Zo lukt het vaak om ons te richten op een beperkt deel van zo een afstroomgebied. We gaan dat gebied dan heel intensief begeleiden. We beginnen met najaarsstalen. Dat zijn grondstalen tot 90 cm diep, net zoals bij de nitraatresidustalen, maar we willen ons daar zo weinig mogelijk mee vergelijken, omdat onze najaarsstalen niet bedoeld zijn als controle en de gevolgen dus heel anders zijn. Voor het nemen van de najaarsstalen sturen we een brief en bellen we ook nog eens om te vragen of de mensen daar problemen mee hebben. Soms moeten we het ter plaatse gaan uitleggen, maar we hebben zelden te maken met mensen die totaal niet mee willen. Een voordeel is dat we ook mensen bereiken die je nooit tegenkomt op vergaderingen. Doordat iedereen meewerkt halen we ook enorm veel rendement van onze inspanningen.

“We zijn niet van de overheid, die toekijkt, en ze hoeven geen nadelige gevolgen te vrezen.”

De resultaten van de analyses worden eerst bekeken op kantoor. We proberen bij een overschrijding ook de reden te achterhalen. In januari gaan we die dan bespreken met de landbouwer. We proberen samen te achterhalen wat de redenen zijn van de overschrijding en geven meteen ook al advies. Indien de teelt het toelaat stellen we voor om de basisbemesting te verminderen en bij te sturen in de loop van het seizoen op basis van de analyse. Mijn filosofie rond bemesten is niet te geweldig te beginnen. Ik zie het liefst een lage basisbemesting, waarna kan bijbemest worden volgens de noodzaak. Door het staal pas na het planten of zaaien te nemen, weet je ook wat je dierlijke bemesting precies heeft opgeleverd. Het is algemeen bekend dat 10 stalen uit een mestkelder 10 verschillende resultaten kunnen opleveren. We laten vier weken tussen het uitrijden en de staalname, zodat je perfect weet hoeveel nitraat er is vrijgekomen. In feite vertellen we hetzelfde voor IBB, maar dan voor heel het bedrijf.

Adviseren

Ook verderop tijdens het seizoen blijven de medewerkers van het CVBB de bedrijven opvolgen. “Wanneer er een advies op basis van een analyse binnenkomt bellen we de landbouwers op om met hen te bespreken of en, zo ja, hoeveel ze dienen bij te bemesten. We kennen die bedrijven ondertussen al goed en weten met welk type kunstmest ze werken, zodat we de precieze dosis kunnen adviseren.” Op de vraag of de boeren geloof hechten aan zijn advies reageert Brecht dat hij soms wat tijd nodig heeft om een boer te overtuigen. Wanneer hij ons het eerste jaar niet gelooft, wanneer we hem op basis van de staalname vertellen dat het niet nodig is om bij te bemesten, moet hij in september vaststellen dat het najaarsstaal weer te hoog uitvalt. Dan proberen we hem te overtuigen om het in het jaar nadien toch eens te proberen, en ons advies te volgen – al is het voor een teelt of perceel. Het jaar nadien kunnen ze vergelijken. Ze zien geen verschil in opbrengst, maar wel een verschil in kostprijs. En reststikstof. Zeker West- Vlaamse boeren zijn vlot te overtuigen met financiële argumenten.” Katleen zegt dat dit bij haar in de streek minder aan de orde is, omdat mais nu eenmaal alleen een basisbemesting krijgt. Ze vindt dat die praktijk wel heel goed bruikbaar is voor vollegrondsgroenten en aardappelen. Brecht vertelt dat ze bij aardappelen doorgaans starten met 70% van het advies en dan een staal nemen wanneer de planten de grootte hebben van een bloempot. “Normaal gebeurt dat na vier weken, dit jaar was dat na zes weken. We stellen vast dat we nog nauwelijks moeten aanvullen. Kort na de oogst wordt opnieuw een profielanalyse (staal tot 90 cm) uitgevoerd. Hetgeen dan nog in de bodem zit, geeft je een beeld wat je te veel gegeven hebt. Bij de bepaling van het nitraatresidu enkele weken later, kan er al nitraat bijgekomen zijn door mineralisatie. Zeker het inwerken van oogstresten zoals bloemkolen kan het nitraatgehalte sterk doen oplopen.”

Ook al werken Katleen Geerinckx en Brecht Catteeuw in totaal verschillende gebieden en omstandigheden, toch ervaren ze beiden dat bedrijven na de eerste onwennigheid voordeel ondervinden van de ondersteuning die ze bieden.

Die situatie is heel anders in de Kempen. “Wij wachten voor onze najaarsstalen tot het grootste deel van de maispercelen is geoogst”, vertelt Katleen. “Dat is efficiënter voor de staalnemers. Bij ons wordt dat uitgevoerd door medewerkers van het Proefstation voor de Groenteteelt (PSKW). We gebruiken de resultaten om te bepalen waar we het jaar nadien moeten langsgaan om de landbouwers te adviseren.

Moeilijkheden

“Ik vind het vooral fijn als je al enkele jaren bij iemand komt”, antwoordt Katleen op de vraag welke moeilijkheden ze ondervindt. “In het begin is dat lastig. Dan moet je alles uitleggen en ook vertellen dat je waterstalen zal nemen. Eens wanneer ze je kennen en weten dat ze in het voorjaar een telefoontje kunnen verwachten, is dat iets gemakkelijker praten. Na enkele jaren ken je hun bedrijf beter, maar het is een opdracht voor beide kanten. Ook voor de landbouwers is het wat wennen aan iemand die hem adviseert hoe hij het zou moeten doen. Voor mezelf als adviseur is het aanpassen. Elk bedrijf is anders maar dat maakt het, eens je ze beter kent, ook interessanter.

Brecht wijst op het belang van onafhankelijk advies. “We zijn niet van de overheid, die toekijkt, en ze hoeven geen nadelige gevolgen te vrezen van onze werking. In feite kan de boer alleen maar winnen door mee te werken.” Op de vraag of hij ooit al de deur gewezen werd, verwijst Brecht naar het artikel dat hij half juni maakte in het kader van de actie MAP-man. “Het ging over een van de eerste boeren die we individueel begeleidden. Aanvankelijk wilde hij niet meewerken. We hebben meer dan een uur staan discussiëren op zijn land. Hij had er zelfs een collega bijgeroepen om hem bij te staan in de discussie. Toen ik hem dit voorjaar bezocht verontschuldigde hij zich voor het feit dat hij 3 jaar geleden zo moeilijk gedaan had. Ondertussen neemt hij mij voor heel veel in vertrouwen, ook voor privé aangelegenheden. Eens je het vertrouwen krijgt, ben je de drempel over. Daar staat wel tegenover dat hij van mij ook soepelheid verlangt en al eens vraagt om op zaterdag langs te komen. Die man is in die 3 jaar volledig omgekeerd: waar hij kan neemt hij stalen vooraleer bij te bemesten.”

Brecht Catteeuw neemt een staal uit een waterloop. Dit ‘ritueel’ herhalen CVBB-medewerkers honderden keren per jaar.

Spijtig genoeg zijn de effecten op de waterkwaliteit niet altijd eenduidig. “Het nitraatresidu zie je vrij snel dalen, maar het nitraatgehalte in de beek volgt niet altijd”, vertelt Brecht. “Het nitraatresidu kan gedaald zijn, maar toch kan aan het MAP-meetpunt nog een overschrijding gemeten worden. Het moment van de staalname kan het resultaat ook sterk beïnvloeden. Dat maakt dat we geen rechtlijnig verband kunnen maken tussen een verbeterde bemestingsstrategie en het aantal rode meetpunten. Ik ben ervan overtuigd dat je dat beter zou zien indien je iedere dag, of zelfs meerdere keren per dag zou meten.” Zoiets kan met een nitraatsonde, maar dat brengt enorm veel werk met zich mee en is niet toe te passen voor alle meetpunten.

Bijsturingen

Katleen ziet niet direct een noodzaak om het systeem van IA bij te sturen. “Ik denk dat het goed werkt. Ik heb voor mezelf wel een systeem uitgewerkt om het werk rond te krijgen. In het voorjaar is het echt wel ‘alles op een hoopje’, zeker in de mais. Eens de omstandigheden goed zijn om mest uit te rijden, willen de landbouwers het veld op. Om dat moment moeten de stalen al genomen en geanalyseerd zijn en moet het advies op tijd bij de landbouwer zijn. Dat is cruciaal, want wachten doen ze niet. Omdat mais in een keer bemest wordt, is het dan ook gebeurd voor dat jaar.” Brecht beaamt dat een van de moeilijke punten is dat sommige landbouwers te weinig communiceren. “Als ze denken dat het morgen het moment is om mest uit te rijden of om te zaaien, dan doen ze dat. Sommigen vergeten dat o zo belangrijke telefoontje naar ons. We willen met die IA tonen hoe het in de praktijk moet gebeuren. We willen onze stalen zo kort mogelijk bij de start van de teelt nemen. Dan is het spijtig wanneer je een dag te laat komt. Sommigen bellen juist voor ze eraan beginnen. Zo is het nog gebeurd dat we op een kant van het perceel stalen nemen, terwijl de boer al mest aan het voeren is aan de andere kant.

Wat zouden Katleen en Brecht graag zien veranderen? Brecht vindt het moeilijk dat het allemaal buiten moet gebeuren en de weersomstandigheden zo veel bepalen. Katleen zou het fijn vinden om aan een landbouwer te kunnen laten zien dat zijn inspanningen tot een daling geleid hebben aan het meetpunt. “Het zou aangenaam zijn voor beiden als we de garantie konden geven dat hun inspanningen met zekerheid tot resultaat leiden. Maar de realiteit is dat je hetgeen op een bodem gebeurt niet altijd kan koppelen aan wat er gemeten wordt in het water.”