Groenbedekking, een meerwaarde?

Momenteel worden er volop groenbedekkers uitgezaaid. Veel landbouwers kiezen ervoor om de 5% ecologisch aandachtsgebied (EAG) in te vullen door een groenbedekkermengsel in te zaaien. Daarmee voldoen ze niet alleen aan de EAG-voorwaarde, het levert hen meer op. Een belangrijke regel blijft wel dat je steeds zo snel mogelijk inzaait, want hoe vroeger gezaaid, hoe groter het effect.

Vroege inzaai

Na graangewassen, maar ook na vroege aardappelen of bepaalde groenten kan je groenbedekkers al vroeg inzaaien, namelijk in de loop van augustus tot begin september. Dat zal het nitraatresidu in je bodem in het najaar sterk beperken, zeker op rijkere percelen, omdat groenbedekkers op korte tijd vlot heel wat stikstof kunnen opnemen. Meer dan 100 kg stikstof per ha is dan zeker haalbaar. Daarnaast houden groenbedekkers het koolstofgehalte van de bodem op peil of verhogen het zelfs. Met hun vlotte bodembedekking en goede doorworteling van de bodem zijn vroeg ingezaaide groenbedekkers ook ideaal om erosie aan te pakken in het najaar-winter.

Vanggewassen Mestdecreet

Het Mestdecreet bevat diverse punten waar het inzaaien van een vanggewas (niet vlinderbloemige groenbedekker) een verplichting is. Dat is bijvoorbeeld het geval als je focusbedrijf bent of als je derogatie toepast op wintertarwe of triticale.

Meer informatie over de verplichtingen en de voorwaarden vind je op de website van de VLM . Je kan ook terecht bij de afdeling Mestbank van de VLM in uw regio.

Voorwaarden EAG-groenbedekking

Om te voldoen aan de EAG-voorwaarden moet het ingezaaide mengsel samengesteld zijn uit minstens twee verschillende groenbedekkers uit de lijst, beide gezaaid met minstens 50% van de minimale zaaidichtheid. In de Polders en Duinen moet je groenbedekkers zaaien vóór 1 september, in alle andere landbouwstreken vóór 1 oktober. Je kunt het mengsel zelf samenstellen of een kant-en-klaar mengsel kopen bij je handelaar.

Aandachtspunten samenstelling mengsel

Er zijn heel wat soorten groenbedekkers, dus kan je talloze mengsels maken. Snelgroeiende groenbedekkers zijn belangrijk om de stikstofopname zo groot mogelijk te maken. Zeker bij vroege zaai is de keuze groot. Loopt de uitzaai vertraging op of zijn de omstandigheden minder gunstig, verhoog dan de minimumzaaidichtheid wat om een voldoende ontwikkeling te krijgen.

*          Gele mosterd en bladrammenas zijn kruisbloemigen waarvan de zaden een gelijkaardige vorm en grootte hebben. De gele mosterd is de snelste groeier, waardoor hij een sterke concurrentie betekent voor de bladrammenas. Om in aanmerking te komen voor EAG, moet het mengsel minimaal 5 kg gele mosterd en 6 kg bladrammenas per ha bevatten, maar een verhouding van 5 kg gele mosterd en 9 kg bladrammenas zal een evenwichtiger resultaat opleveren, omdat de bladrammenas dan extra ontwikkelingskansen krijgt.

*          Gele mosterd en raapzaad is budgettair aantrekkelijk. Opteer bij vroege zaai voor een laatbloeiende variëteit, die doorgaans ook een hogere biomassa opleveren.

*          Je kunt ook eenvoudig Engels raaigras uitzaaien samen met Italiaans raaigras, elk aan minstens 15 kg/ha. In functie van een maaisnede in het voorjaar is dat een meevaller.

*          Bladrammenas mengen met facelia levert goede resultaten op. Facelia start wel traag, maar groeit snel door en houdt het evenwicht met bladrammenas. Bij vroege zaai (tot de tweede helft van augustus) geeft 4 kg facelia met 6 kg bladrammenas een goede ontwikkeling.

*          Facelia en Japanse haver verschillen wel erg in zaadgrootte en zaadvorm. Ze zijn beide vorstgevoelig, zodat je ze in het voorjaar dus vlot kunt inwerken. Ze houden elkaar goed in stand en zorgen voor een vlotte bedekking en goede groei. Bij een vroege uitzaai volstaat een zaaidichtheid van 4 kg facelia en 20 kg Japanse haver per ha. Zeker op groentebedrijven is dit een mogelijk mengsel.

Late inzaai

Maïs en diverse groenten worden laat op het jaar geoogst, waardoor je ook pas laat de groenbedekker kan inzaaien. Ook binnen de sierteelt zijn er veel late oogsten. Zo worden potchrysanten en knolbegonia’s in oktober gerooid en zijn de velden vaak pas volledig leeg begin november. Ook boomkwekerijpercelen worden tot laat in het najaar en zelfs vroeg in het voorjaar gerooid.

Als de percelen het na de oogst nog toelaten, kan je een oppervlakkige bodembewerking uitvoeren en daarna een groenbedekker inzaaien. Zo krijg je toch nog een behoorlijke bodembedekking, die afspoeling van de vruchtbare bodemdeeltjes tegengaat (= erosiebestrijdende maatregel). In het voorjaar levert de groenbedekker organische stof voor de bodem.

Bij een late inzaai zijn de keuzemogelijkheden van groenbedekkers eerder beperkt. Bladrijke groenbedekkers zijn zeer vorstgevoelig en komen dus niet in aanmerking. Bepaalde soorten grasachtige groenbedekkers zijn niet of slechts matig vorstgevoelig, zodat ze in de winter niet afsterven. Ze hebben over het algemeen een vlotte opkomst. Doordat grassen vaak meer wortels hebben, helpen ze ook de bodemstructuur verbeteren door de bodemdeeltjes bij elkaar te houden en het dichtslaan van de bodem tegen te gaan. Raaigras en snijrogge zijn bij late inzaai de beste opties.

*          Italiaans raaigras (Lolium multiflorum L.) kan je zaaien tot half oktober (40 kg/ha).

*          Winterrogge (=snijrogge) (Secale cereale L.) kan je zaaien tot eind oktober. Zaai dan 150 kg/ha, zodat de bodem voldoende bedekt wordt in de winter. De vezelige wortels zullen de bouwvoor heel goed doorwortelen. Werk in het voorjaar de rogge tijdig onder omdat het gewas veel water aan de bodem onttrekt en het vlug doorschiet in het voorjaar.

*          Zomerhaver (Avena sativa L.) (120-150 kg/ha) en Japanse haver (Avena strigosa L.) (60 à 80 kg/ha) kan je zaaien tot begin oktober. Ze zijn beide vorstgevoelig, zeker bij een goede ontwikkeling. Na het afsterven vormt er zich een strooisellaag, die de bodem bedekt. Inwerken van die laag na de winter levert weinig problemen op.

Conclusie

Groenbedekkers bieden heel wat mogelijkheden op vlak van organische stof, bodemstructuur, bodembedekking, vanggewas. Hoe vroeger gezaaid, hoe groter het effect.

Bart Debussche (Departement Landbouw en Visserij) en Dominique Van Haecke (Proefcentrum voor Sierteelt)